Armoede licht gestegen

‘Leven in armoede 2025’ is het rapport van het CBS met de nieuwste gegevens over het deel van de bevolking van Nederland dat in financieel en sociaal opzicht is achtergebleven bij de rest. Door de financiële situatie ook in relatie tot de sociale situatie te beschrijven, plaatst het CBS de armoedeproblematiek in een breder perspectief.

Volgens het rapport is een huishouden – en de mensen die er deel van uitmaken – arm als er na het betalen van de vaste lasten aan wonen, energie en zorg te weinig middelen (inkomen en eventueel spaargeld of ander direct te besteden bezit) overblijven voor de andere basisbehoeften. De hoogte van de armoedegrens is vastgesteld op basis van de uitgavenposten die minimaal nodig zijn om volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. De grens verschilt per huishoudenstype.

Lichte stijging aantal armen in 2024

In 2024 maakten volgens de gehanteerde definitie 551 duizend van de 17,5 miljoen mensen deel uit van een arm huishouden. Dat komt neer op 3,1 procent van de bevolking. In 2023 was het armoedepercentage nog 2,7. De toename van de armoede heeft te maken met het wegvallen van de energie­maatregelen in 2024.

Inkomenstekort arme mensen toegenomen

In 2024 was het inkomen in doorsnee 19 procent lager dan de armoedegrens. Dat betekent dat de helft van de mensen in armoede in dat jaar meer dan 19 procent onder de armoedegrens verkeerde. Het tekort was in 2018 nog 12 procent en liep vooral in 2022 en 2023 op. In die jaren maakten bijstandsontvangers door de energietoeslag een minder groot deel uit van de arme bevolking en werkenden juist een groter deel. In arme huishoudens die voornamelijk inkomen uit werk hebben, komen mensen in doorsnee meer inkomen tekort dan in bijstandshuishoudens. In 2024 ging het bij bijstandsontvangers om 13 procent. In werknemers­huishoudens was het tekort 22 procent en in zelfstandigen­huishoudens 33 procent. De vermogensbuffer was meestal genoeg voor hooguit drie maanden.

Ruim 1,1 miljoen mensen bijna-arm

Naast de 551 duizend armen waren 1,1 miljoen mensen bijna-arm: het inkomen van hun huishouden lag tot 25 procent bóven de armoedegrens, maar hun vermogensbuffer eronder. Dat komt neer op 6,4 procent van de bevolking. Bijna-armoede komt relatief vaak voor bij alleenwonenden en eenoudergezinnen, bij kinderen tot 18 jaar en ouderen vanaf 80 jaar, bij uitkeringsontvangers en in migranten­huishoudens.

Achterstanden op sociaal gebied

Armen en bijna-armen ervaren vaker sociale overlast in de buurt dan mensen die niet arm en niet bijna-arm zijn. Overigens ligt bij hen niet alleen het aandeel dat slachtoffer is geworden van criminaliteit maar ook het aandeel dat verdacht wordt van het plegen van een misdrijf hoger dan bij mensen die niet arm en ook niet bijna-arm zijn.
Bij armen en bijna-armen is bovendien sprake van een stapeling van gezondheidsproblemen. Ook doen arme en bijna-arme mensen minder mee in de samenleving: ze zijn minder vaak actief in een vereniging, doen minder vaak vrijwilligerswerk en voelen zich vaker eenzaam. Ze hebben tevens minder vertrouwen in de medemens en in instituties als rechters, leger, politie en pers.

Zzp’ers het meest kwetsbaar voor armoede

Van de mensen met hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk maakte 2,0 procent (175 duizend werkenden) in 2024 deel uit van een arm huishouden. In 2018 was dat nog 3,1 procent. Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zijn met 4,4 procent ruim 2 keer zo vaak arm als werknemers en zelfstandigen met personeel (zmp’ers).

1 op de 10 kinderen in een financieel kwetsbaar gezin

In 2024 maakten 93 duizend minderjarige kinderen deel uit van een arm gezin. Dat komt neer op 2,8 procent van alle kinderen en dat is evenveel als in 2023.

Armoedecijfers niet compleet volgens college Rechten van de Mens

Volgens het College van de Rechten van de Mens liggen de armoedecijfers in werkelijkheid nog hoger dan blijkt uit het rapport van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Belangrijke kostenposten ontbreken, aldus het College in een schriftelijke reactie op hun site. Zo worden verschillende kosten waarmee ook arme mensen te maken hebben niet meegenomen in de berekening. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om kosten voor kinderopvang, woon-werkverkeer, en om zorgkosten boven op de basispremie en het eigen risico.
Ook blijven specifieke groepen mensen in kwetsbare situaties buiten beeld, terwijl bekend is dat zij vaak in armoede leven. Het gaat dan onder meer om mensen zonder geldige verblijfspapieren. Verder komen studenten en mensen die in zorginstellingen of penitentiaire inrichtingen verblijven, niet voor in deze meting. Datzelfde geldt voor mensen die dak- of thuisloos zijn.

Ontwerp en webdevelopment door BuroBureaux